|
Over het werk van Zoro Feigl.
Zoro Feigl maakt bewegende kunstwerken: “Sugarstorm” een opengewerkte suikerspinmachine met ventilatoren die roze suikerwolken de lucht in slingert; “Loop” een touwlus met een doorsnede van vijf meter die, aangedreven door twee autobanden een op de grond stuiterende ovaal vormt; “Bounce” twee torens van vijf op elkaar stuiterende zilveren plastic ballen, de ballen worden op hun plaats gehouden door een “kooi” van zes tussen vloer en plafond gespannen staalkabels en aangedreven door boormachines die via een krukas de onderste ballen in beweging brengen; “Ripple” een installatie van twaalf radiaal opgestelde touwen die via lange hefbomen met luchtpneumatische cilinders een zee van golven opwekt; “Drifters” twintig antieke kompassen die door een draaiende magneet in constante rotatie worden gehouden.
De kunstwerken van Zoro Feigl gaan over het omzetten van energie in zichtbaarheid. Je ziet: zweven, draaien, golven, stuiteren, spuiten. Het zijn in principe allemaal fonteinen, dat wil zeggen dat je in ieder werk het einde van de aandrijvende energie en de overwinning daarop door de zwaartekracht ziet. De gevoelige balans tussen de kracht waarmee zijn installaties worden aangedreven en de belasting waaraan ze door Feigl onderhevig zijn gemaakt is de constante lijn in zijn jonge oeuvre. In al zijn werken is dit het element waardoor er een wonderlijk serieuze empathie met de aandrijvende machines ontstaat. Ik denk dat de aanschouwelijkheid van natuurkundige wetmatigheden in deze kunstwerken zo ontroerend is omdat het ons op een directe manier laat ervaren dat we op de materiele wereld kunnen vertrouwen: zij gedraagt zich in gelijke omstandigheden altijd hetzelfde. De grens tussen chaos en herkenbaar patroon in golvende touwen of stuiterende ballen brengt ons aan de grens van ons perceptie en bevattingsvermogen maar we weten: een patroon gaat alleen voor ons over in willekeur: in de materiele wereld bestaat alleen maar oneindige wetmatigheid. De som van kracht, richting, elasticiteit en weerstand gaat altijd op. Het onsentimentele medegevoel met mechanische processen is een zeldzame en belangrijke ervaring, het laat de wetmatigheid van die processen verschijnen als iets intentioneels. Alsof Zoro’s installaties zich volgens de natuurwetten willen gedragen.
Ik houd er niet van om aan kunstwerken seksuele betekenissen toe te kennen maar in dit geval zou dat een ontkenning zijn. De connotaties en associaties zijn te pregnant. De verbondenheid tussen het mechanische en het seksuele is waarschijnlijk het sterkste gethematiseert in het werk van Paul Mcarthy. Uiteindelijk draait al zijn werk om deze gelijkschakeling. De kracht van Mcarthy’s werk schuilt in de indruk dat de kunstenaar nooit zwelgt in de liederlijkheid die hij verbeeld. Ik heb de indruk dat zijn werk voortkomt uit een withete woede over wat de mensheid tentoonspreid. De seksuele handelingen zijn bij Mcarthy altijd traag en lusteloos. Het bewustzijn van zijn acteurs lijkt zich passief over te geven aan deze krachten die ze toch niet in eigen beheer hebben. Een aantal van Feigl’s werken gaat over de zelfde verbinding maar de gebaren en ritmes van de voortplanting, het golven, stuiteren en spuiten zijn bij hem onschuldig en optimistisch. Dat seksualiteit een natuurkracht is die zelfstandig door de mensheid stroomt is nog niet verbonden met een dramatische notie van menselijk onvermogen. Er spreekt juist enthousiasme uit over het feit dat wij in deze grotere natuurprocessen zijn ingeschakeld. Ook het werk van Matthew Barney kan beschouwt worden als een unieke verhandeling over de menselijke seksualiteit. In de zee van laffe pornografische kunst is zijn werk een baken waarin met ontzag en liefde de grenzeloze complexiteit van de voortplanting word verbeeld. Essentieel daarin is het gevoel van zuiverheid, traagheid en ritueel waarmee Barney de toeschouwer probeert af te stemmen op de kwaliteit van de processen die hij in de wereld herkent.
Deze aandacht voor het proces zelf is ook bij Feigl’s installaties zo voorbeeldig aanwezig. Waar mindere kunstenaars hun eigen gevoelens over de wereld met anderen willen delen, gaat het er bij hem altijd om een zo zakelijk en zuiver mogelijke enscenering van het proces zelf te realiseren. In zijn installaties is alles gemaakt met een loepzuivere intuitie voor het noodzakelijke. Het is volmaakte functionaliteit die daardoor helemaal verdwijnt achter het beeld dat verschijnt als de machine eenmaal werkt. Dat Zoro de eerste week na het voltooien van een werk met zijn lasapparaat stand-by moet blijven, bewijst alleen maar dat hij zijn kunst op het scherpst van de snede heeft gemaakt.
Gijs Frieling
2008
|